Een paar weken geleden heeft een kringloopwinkel alle oude kasten uit m'n winkel weggehaald. Op de metalen kast achterin en één houten kast na.
Daarna kwamen er drie lage, verrijdbare kasten bij, net zoals ik er al - twee - had. Open kasten, dwz zonder achterwand. Drie planken hoog, twee aan twee. Iedere plank stevig en diep genoeg voor twee rijen boeken. Dus 3 x 4 rijen boeken en bovenop nog een plank om boeken plat neer te leggen: display-ruimte!
Zover is het echter nog niet. Bovenop de kasten liggen nu stapels boeken - niet echt een mooi gezicht - aangezien ik de kringloop niet twee keer wilde laten komen en er dus behoorlijk wat moest worden verdeeld. Maar ook doordat het nog een heel gepuzzel is vanwege de verschillende formaten en genres boeken en te bepalen schaphoogten.
Van de nieuwe kasten heb ik er nu vijf en wacht ik er nog op vier. Maar waarom eigenlijk negen? Waarom geen zeven? Zeven is een mooi getal. Denk aan tram zeven, het trammetje van Wattman uit Suske en Wiske.
Vandaag*) las ik hoofdstuk vijf uit Northrop Frye's De Grote Code, De bijbel en de literatuur, SUN, 1986 (oorspr. Engelse uitgave verschenen in 1981). De titel van dit hoofdstuk is Typologie II De fasen der openbaring. Frye onderscheidt zeven fasen: schepping, revolutie, wet, wijsheid, profetie, evangelie en apocalyps.
Een citaat (pag. 204): "Eenieder die het boek der Openbaring onvoorbeeid, zonder de geringste voorkennis, leest, zal er waarschijnlijk alleen maar een onzinnige, warrige rapsodie in zien. Het is wel eens beschreven als een boek waarvoor je al gek moet zijn om het te lezen, en anders ben je het na afloop wel. En toch, als we onze eigen geest zouden onderzoeken op wat er achter de verdringingen ligt die ervoor zorgen dat we 'normaal' blijven, zouden we wel eens op visioenen van angst en overwinning kunnen stuiten die een treffende overeenkomst vertonen met de apocalyps. Als vergelijkbaar voorbeeld kunnen we het zogenaamde Tibetaanse Dodenboek aanhalen, waarin de ziel onmiddellijk na de dood een reeks visioenen doorloopt, die aanvankelijk vredelievende naar vervolgens vertoornde goden tonen. een priester leest het boek voor vlakbij het oor van de overledene, die naar men verondersteldt, de stem van de priester kan horen die hem zegt dat al de visioenen alleen maar zijn eigen verdrongen psychische vormen zijn, die nu door de dood zijn bevrijd en naar boven komen. op het moment dat de overledene dit tot zich laat doordringen, verliezen de visioenen hun macht over hem, omdat hun macht zijn eigen macht is."
Op het eind van "Wattman" vinden Suske en Wiske hun vriend terug op de plaats waar ze hem het eerst zagen: in een bos. Daar blijkt een grafsteen te staan, met de naam Wattman erop. Maar wat is dat nu? Daar is Wattman, staand op de treeplank van tram zeven en hij zegt lachend: "Vaarwel Suske en Wiske! Waar ik nu heen rijd, kun je me nog niet volgen!"
"Wattman!" roept Wiske uit. "Wat betekent dat graf? Jij bent toch niet dood of ben je..."
Wattman antwoordt, terwijl hij z'n tram binnenstapt en deze welhaast lijkt te liefkozen:
"Wat doet dat ertoe, kinderen? Wie zo van zijn werk houdt als ik van tram zeven, heeft op aarde zijn... [en de tram verdwijnt in de lucht ] ...hemel reeds gevonden!" **)
"Zou hij nu werkelijk naar de hemel zijn, Suske?"
"Wie weet? Hij was een zonderling kereltje! Maar één ding is zeker, hij deed zijn werk met liefde en was een gelukkig man!"
Ik vermoed, dat dat ook gold voor Northrop Frye .
Zie ook pagina 188 van De Grote Code, waar Northrop Frye het heeft over het bijbelboek Prediker, arbeidsethos, spel en creativiteit.
*) inmiddels: heel wat dagen geleden
**) In de uitgave waaruit ik dit overtyp staat "al gevonden", maar mijn herinnering zegt "reeds gevonden". Maakt het wat uit? Wattman blijft een fantastisch boek!























Laatste reacties